Alpijns skiën

Het alpijns skiën, een populaire sport sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog, stond reeds in 1976 op het programma van de eerste Paralympische Winterspelen in het Zweedse Örnsköldsvik.

Het alpineskiën bestaat uit 5 disciplines:

Downhill (afdaling)

Snelheidsproef. De atleten moeten zo snel mogelijk een vrij lang en steil parcours afleggen, met een beperkt aantal poorten. De race wordt gewoonlijk in één manche gestreden. Slechts bij wijze van uitzondering (bv. weersomstandigheden) kan de jury ook een tweede manche inplannen. Een poort missen betekent diskwalificatie.

Slalom

Technische proef. De atleten moeten tweemaal (op dezelfde dag) zo snel mogelijk een relatief kort parcours met talrijke poorten afleggen. Het klassement wordt opgemaakt door de tijden van beide afdalingen op te tellen. Een poort missen betekent diskwalificatie.

Giant slalom (reuzenslalom)

Technische proef. De atleten moeten tweemaal (op dezelfde dag) zo snel mogelijk een parcours afleggen dat langer is dan de slalom, maar minder poorten bevat. Het aantal poorten hangt af van de hellingsgraad. Het klassement wordt opgemaakt door de tijden van beide afdalingen op te tellen. Een poort missen betekent diskwalificatie.

Super-G

Snelheidsproef. De atleten moeten zo snel mogelijk een parcours afleggen dat korter is dan de downhill maar langer dan de slalom en de reuzenslalom.

Super combined (super-combinatie)

Wedstrijd bestaande uit twee parcours, meestal een downhill of super-G in combinatie met één slalomreeks. Beide parcours moeten op dezelfde dag worden geskied. Het klassement wordt opgemaakt door de tijden van beide afdalingen op te tellen.

Classificatie

Op de Paralympische Spelen richt het alpineskiën zich tot atleten met een lichamelijke of visuele beperking.

Men onderscheidt:

  • Staand skiën (klasse LW1 tot LW9) voor personen met een motorische handicap (aan het boven- en/of onderlichaam) die rechtopstaand kunnen skiën.
  • Zittend skiën (klasse LW10 tot LW12) voor personen met een beperking aan de benen en (in bepaalde klassen) de romp. De atleten maken gebruik van zitski’s, die bestaan uit een kuip, een frame en schokdempers gemonteerd op één (mono-ski) of twee (dual-ski) ski’s.
  • Ski voor atleten met een visuele beperking (klasse B1 tot B3). De atleten worden over het parcours gegidst door een voorskiër, die een fluorescerend hesje draagt. Atleet en gids communiceren via een microfoonsysteem.

We herinneren eraan dat de handicapklasse met het hoogste getal overeenkomt met de lichtste handicap.

Internationale federatie

Op internationaal niveau valt het alpineskiën onder het toezicht van het World Para Alpine Skiing, dat deel uitmaakt van het International Paralympic Committee :

Liga's

Meer over alpijns skiën in België? Afspraak op de site van de twee leden van BPC: Parantee-Psylos en LHF.